Voorbeeld meerkeuzevragen over Rome

DE AENEŌS Na de val van Troje heeft een handjevol Trojanen die de nederlaag hebben overleefd, zich verzameld onder leiding van een lid van het koninklijk huis, Aeneas. Hij lijkt heel geschikt voor die taak want zijn moeder is de godin Venus! Maar waar moeten zij heen? Het is moeilijk een vrij plekje te vinden, waar genoeg vruchtbaar land is. En een ander volk van zijn plaats verjagen is nog moeilijker! Daarom zwerven zij van kust tot kust, van eiland tot eiland. Steeds als zij denken ergens te kunnen bouwen, doen zich bezwaren voor. Vreemde voortekenen maken hen bang, of de bewoners van de streek jagen hen weg. Maar ieder keer als zij wanhopig verder varen is er een lichtpuntje. Aeneas krijgt steeds meer tekenen, dat hij in westelijke richting moet varen. ItaliŽ blijkt het land te zijn, waar de voorvaderen van de Trojanen vandaan zijn gekomen en waar ze nu naar terug moeten. De goden laten hem niet in de steek! Maar als vlakbij SiciliŽ een geweldige storm losbreekt lijkt het einddoel verder weg dan ooit. Aeneas moet met zijn schip een landing maken in Noord-Afrika. Noord Daar bouwt koningin Dido een nieuwe stad: Carthago. Door toedoen van een godin die de Trojanen vijandig gezind was, worden Dido en Aeneas verliefd op elkaar. Een hele winter gaat voorbij en Aneas lijkt zijn taak helemaal vergeten. Hij helpt Dido bij het bouwen van Carthago, dat later Romeís doodsvijand zou worden! Maar als Jupiter, de oppergod, de wereld weer eens overziet, merkt hij dat Aeneas nog steeds in Carthago is. Hij stuurt een bode. Aeneas beseft dat hij het doel van zijn zwerftocht uit het oog heeft verloren. Hij geeft gehoor aan de wil van de goden: de nakomelingen van Aeneas moeten Rome stichten. Een Rome dat de chaos waarin de wereld verkeert, zal ordenen en aan alle onderworpen volken een rechtvaardig bestuur zal brengen. Aeneas vindt zijn volk belangrijker dan zijn privťleven en verlaat Dido. Als de vloot vertrekt, is Dido zo ongelukkig dat zij een einde aan haar leven maakt. Aeneas bereikt tenslotte ItaliŽ, waar zijn verre nakomelingen, Romulus en Remus, Rome zullen stichten. De schrijver van dit verhaal is de Romeinse dichter Vergilius. Met welke van de onderstaande argumenten verdedigt hij de veroveringen van de Romeinen: a)    Rome moet rust en vrede in de wereld brengen en aan iedereen een rechtvaardig bestuur geven; b)    Rome moest Carthago wel verslaan, omdat zij elkaars doodsvijanden waren; c)    Rome is eigenlijk tegen haar zin betrokken geraakt in oorlogen door beloften aan haar bondgenoten; d)    Overbevolking, zucht naar rijkdom en macht en de wil tot uitbuiting van hun buren dreven de Romeinen tot veroveringen. De Romeinse Republiek was aanvankelijk een: a)    monarchie b)    democratie c)    oligarchie d)    aristocratie Een alleenheerschappij is een: a)    monarchie b)    democratie c)    oligarchie d)    aristocratie De zorg voor de rechtspraak in Rome had: a)    de censor b)    de praetor c)    de questor d)    de consul Nobiles waren: a)    rijke patriciŽrs b)    rijke plebejers c)    rijke patriciŽrs en rijke plebejers d)    oud-magistraten Beschermer van plebejers: a)    consul b)    cliŽnt c)    volkstribuun d)    patronus Bestuurder van een provincie: a)    consul b)    proconsul c)    senator d)    volkstribuun Legeraanvoerder: a)    consul b)    proconsul c)    gouverneur d)    censor Beschermeling van een rijke Romein: a)    patronus b)    proletariŽr c)    cliŽnt d)    plebejer Het behoorde tot de taken van een volkstribuun om: a)    de plebejers te beschermen b)    de Senaat desnoods ongevraagd raad te geven c)    het deel van het leger dat uit plebejers bestond aan te voeren d)    ambtenaren af te zetten die de plebejers benadeelden Wat is geen oorzaak van de verarming van de Italische boeren; a)    het optreden van Hannibal en de Carthagers tijdens de Tweede Punische Oorlog b)    het ontbreken van een vervanger als zij in het leger zaten c)    hun langdurige afwezigheid tijdens Romes vele oorlogen d)    het trekken naar de steden, meestal Rome, door de boeren Welk volk heeft de meeste invloed gehad op de Romeinse cultuur? a)    Carthagers b)    GalliŽrs c)    Etrusken d)    Grieken De Pax Romana werd mogelijk gemaakt door: a)    de trouw van de soldaten aan hun bevelhebbers b)    de romanisering van de onderworpen gebieden tijdens Augustus c)    het voortreffelijke bestuur van de keizers uit die tijd d)    het toenemen van de welvaart van de Italische boeren uit die tijd Wat is de juiste volgorde van tijd? 1)    de plebejers mogen hoge ambten bekleden 2)    Rome wordt geregeerd door een koning 3)    de patriciŽrs nemen de macht in handen 4)    Rome wordt geregeerd door een keizer a)    2-1-4-3 b)    1-4-3-2 c)    2-3-1-4 d)    4-3-1-2 Welke bewering is fout: a)    een consul trad op als legeraanvoerder b)    een consul zorgde voor de rechtspraak c)    een consul werd voor een jaar benoemd d)    een consul had vetorecht De patriciŽrs stichtten een Republiek. Dit betekent letterlijk ďalgemene zaakĒ. Wij zouden zeggen: algemeen belang. Dat zou kunnen betekenen, dat iedereen evenveel kreeg of mee mocht praten over zijn belangen. Deze bestuursvorm heette bij de Atheners: a)    monarchie b)    tyrannie c)    democratie d)    aristocratie In de Romeinse Republiek lag de macht in werkelijkheid bij: a)    het volk b)    de plebejers c)    de patriciŽrs d)    de Etrusken De Senaat was erg machtig omdat zij: I)    besluiten nam over oorlog en vrede II)    de belangrijkste bestuurders benoemde III)    alle besluiten van het volk kon veranderen a)    I en II zijn juist b)    I en III zijn juist c)    I, II en III zijn juist d)    I is juist Na veel protesten kregen de plebejers ook enkele rechten oa: I)    het recht om een volkstribuun te benoemen II)    het recht om legeraanvoerder te worden III)    het recht om in de Senaat te zitten a)    I en II zijn juist b)    I en III zijn juist c)    I, II en III zijn juist d)    I is juist TEKST ĎToen het leger langzaam in de sneeuw voortworstelde, lag de uitputting en de hopeloosheid op ieders gezicht. Hun wanhoopziende, gaf Hannibal bevel om te stoppen. Hij wees naar ItaliŽ ver onder hen: ďMannenĒ, zei hij, ďjullie lopen over de muren van Rome zelf.Ē Hannibal bedoelde: a)    dat de Alpen de enige bescherming voor de Romeinen waren b)    dat de Alpen toch wel de laatste plaats waren, waar de Romeinen hen zouden verwachten c)    dat, wanneer ze eenmaal over de Alpen waren, de voornaamste hindernis voor het verslaan van Rome overwonnen zou zijn d)    dat, wanneer ze de Alpen overgetrokken waren, de bondgenoten van Rome zouden overlopen naar hem De juiste volgorde van regeringsvormen in de Romeinse staat is: a)    republiek, keizerrijk, koninkrijk b)    republiek, koninkrijk, keizerrijk c)    koninkrijk, republiek, keizerrijk d)    koninkrijk, keizerrijk, republiek A: Een levensbeschrijving van een Romeinse geschiedschrijver uit de 3e eeuw na Chr. over het leven van keizer Augustus is een secundaire bron. B: Muurschilderingen uit PompeÔ vormen primaire bronnen. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist A: RuÔnes van een amphitheater in Trier(stad in Duitsland ongeveer 15 voor Chr. gesticht door Augustus) is een primaire bron. B: Een geschiedverhaal over een Germaanse opstand tegen de Romeinen in de 1e eeuw na Chr. geschreven door een Duitse geschiedschrijver uit de 16e eeuw is een secundaire bron. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist De volgende 3 vragen(6 stellingen) gaan over de oorzaken van de ondergang van het Romeinse Rijk. Welke stellingen zijn juist en welke onjuist? A: De belastingen werden als gevolg van de vele oorlogen veel te hoog. B: De patriciŽrs wilden hun bevoorrechte positie in de samenleving niet opgeven. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist A: Een groot aantal keizers bleek niet in staat het Rijk goed te besturen. B: Grotere onveiligheid deed de handel en nijverheid sterk afnemen. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist A: Het Romeinse Rijk werd gesplitst in een Oost- en een West-Romeins Rijk. B: De keizers waren niet in staat genoeg soldaten voor hun legers bij elkaar te krijgen. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist A: De Romeinen gingen rond 400 voor Christus op veroveringstocht buiten ItaliŽ. B: Het eerste gebied dat de Romeinen veroverden buiten het eigenlijke ItaliŽ was SiciliŽ. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist Wat hoort niet thuis in de volgende rij? a)    Colosseum b)    Circus Maximus c)    wagenmenner d)    stadion Wat hoort niet thuis in de volgende rij? a)    proletariŽrs b)    patriciŽrs c)    volksvergadering d)    Pyrrhus Wat hoort niet thuis in de volgende rij? a)    brood b)    spelen c)     theater d)    Hannibal Wat hoort niet thuis in de volgende rij? a)    provincies b)    romanisering c)    gouverneur d)    Augustus Het verhaal van Romulus en Remus, de zonen van de oorlogsgod Mars, die door een wolvin- het heilige dier van de oorlogsgod- worden opgevoed en die later de stad Rome hebben gesticht, wordt een sage genoemd. Wat is een sage? a)    een verhaal dat precies zo gebeurd is als het verteld wordt b)    een verhaal dat helemaal verzonnen is c)    een verhaal met een kern van waarheid d)    een verzonnen verhaal met een kern van waarheid Wat betekent de uitdrukking ďverdeel en heersĒ? a)    een verstandig heerser zal een overwonnen volk altijd netjes behandelen b)    tegenstanders zijn makkelijk te verdelen onderling c)    verdeelde tegenstanders zijn gemakkelijk te overheersen d)    tegenstanders zijn makkelijk te overheersen SLAVENHANDELAARS KENDEN GOUDEN TIJDEN De prijzen varieerden afhankelijk van de leeftijd en de kwaliteiten van de slaaf. In oude geschriften vindt men fabelachtige sommen voor een slaaf maar, ook uiterst geringe prijzen. Voor een grammaticus(leraar, meestal van Griekse afkomst) bijvoorbeeld, werd een groot bedrag neergeteld. Men kan zich indenken dat zulk een dure uitgave met alle mogelijke zorgen werd omringd; een simpele verkoudheid kon zo n man, die meer waard was dan een heel landgoed, al in de kist doen belanden. Daarna volgden schoonheid, geschiktheid voor bepaalde beroepen, en ook vreemde en eigenaardige eigenschappen zoals een imbeciel uiterlijk, een dwergachtige gestalte of een liederlijk, brutaal gezicht. In het algemeen was de prijs voor een goede slaaf twaalf maal zo hoog als voor een onbruikbare. (bron: U. Paoli, Vita Romana.) Welke slaven waren volgens deze bron het duurst? Zet in de goede volgorde, de duurste het eerst. a)    een leraar, een dwergslaaf met een bochel, een knappe jongeling, een vlijtige plattelandsslaaf, een goede wagenmenner b)    een leraar, een knappe jongeling, een vlijtige plattelandsslaaf, een goede wagenmenner, een dwergslaaf met een bochel c)    een leraar, een knappe jongeling, een goede wagenmenner, een dwergslaaf met een bochel, een vlijtige plattelandsslaaf d)    een leraar, een vlijtige plattelandsslaaf, een knappe jongeling, een goede wagenmenner, een dwergslaaf met een bochel en een liederlijk gezicht Dit schreef een Romein over slaven: ďDe rijken probeerden zo weinig mogelijk zelf te doen of te denken. Er waren mensen die zich er door hun slaven aan lieten herinneren wanneer ze in bad moesten. Een van deze slappelingen vroeg aan zijn slaaf, nadat hij uit zijn bad was gedragen en in een zetel was gezet: ďZit ik al?Ē Later schreef iemand dat het bij vele rijken normaal was zich op straat door slaven te laten waarschuwen waar ergens een obstakel lag of waar de weg omhoog of omlaag ging. Hier is sprake van: a)    stadsslaven b)    plattelandsslaven c)    mijnwerkerslaven d)    werkplaatsslaven Deze tekst is een: a)    secundaire geschreven bron b)    primaire geschreven bron c)    primaire bron d)    secundaire bron Op deze afbeelding kun je zien: a)    twee leerlingen, een leraar, twee boekrollen b)    drie leerlingen, een leraar, twee boeken c)    een leerling, drie leraren, twee boekrollen d)    drie leerlingen, een leraar, twee boekrollen De leerling die binnen komt heeft in zijn hand: a)    een boekentas b)    een boekenrol c)    een set schrijftafeltjes met was d)    een schrift De drie belangrijkste vakken waren: a)    geschiedenis, aardrijkskunde, Latijn b)    wiskunde, Latijn, Grieks c)    geschiedenis, retorica, Grieks d)    welsprekendheid, redevoeringen, retorica

Terug