Voorbeeld meerkeuzevragen over Eerste Wereldoorlog

De Servische nationalist Princip pleegde zijn aanslag op de kroonprins van de Dubbelmonarchie, Frans Ferdinand in: a)    1913 b)    1914 c)    1917 d)    1918 De bondgenootschappen in de 1e Wereldoorlogen waren: a)    ItaliŽ, Frankrijk, Engeland, BelgiŽ, Nederland, Turkije en ServiŽ b)    Rusland, Turkije, Griekenland,Frankrijk, Spanje, ServiŽ en Bulgarije c)    Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Spanje, Griekenland, RoemeniŽ en Rusland d)    Duitsland, Turkije, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije Frankrijk wilde revanche voor de in 1871 van de Duitsers verloren oorlog vooral omdat: a)    de Duitsers Parijs bezet hadden en net deden of de Franse hoofdstad al van hun was b)    Frankrijk in die oorlog in zeer korte tijd in de slag bij Sedan door de Duitsers verslagen werd en het pijnlijk duidelijk werd dat Frankrijk geen sterk land meer was c)    Frankrijk in deze oorlog Elzas-Lotharingen kwijtraakte aan Duitsland d)    de Pruisische koning Wilhelm zich uitgerekend in het symbool van Frankrijks grandeur, de Spiegelzaal van het paleis van Versailles, tot Duits keizer liet kronen Aan het einde van de 19e eeuw werden de Europese economieŽn steeds meer van elkaar afhankelijk doordat: a)    de groeiende Europese economieŽn steeds meer gestuurd werden door de grote Europese landen b)    uit andere landen steeds meer mensen kwamen werken in de Europese industrielanden c)    de in Engeland uitgevonden stoommachine nu ook de andere Europese industrielanden bereikte d)    de moderne Europese industrielanden zoveel produceerden dat ze hun producten in eigen land niet meer konden verkopen A: Nationalisme is eigenlijk hetzelfde als vaderlandsliefde: men vindt het eigen land tamelijk belangrijk. B: Onder militarisme verstaan we een grote waardering voor alles wat met het leger te maken heeft en de opvatting om met militaire middelen politieke problemen op te lossen. a) Stelling A en stelling B zijn allebei juist b) Stelling A is juist en stelling B is onjuist c) Stelling A is onjuist en stelling B is juist d) Stelling A en stelling B zijn allebei onjuist Met welk intern probleem hadden veelvolkerenstaten zoals Turkije en Oostenrijk-Hongarije niet te maken? a)    veel volken wilden zich aansluiten bij andere staten in de regio b)    binnen deze veelvolkerenstaten werden veel verschillende talen gesproken c)    elk volk had zijn eigen cultuur d)    er waren te veel verschillende politieke partijen Rusland is sinds jaar en dag een bondgenoot van de Slavische volkeren op de Balkan, zoals bleek uit de 1e Wereldoorlog maar ook uit de Kosovocrisis in 1999 omdat: a)    op de Balkan veel grondstoffen te vinden zijn b)    de Balkan strategisch gelegen is als verdediging van Rusland tegen het Westen c)    Rusland door zich te bemoeien met de Balkan een internationale rol van betekenis kan spelen d)    De Russische vloot uit de ijsvrije havens van de Zwarte Zee naar de Middellandse Zee kan varen wanneer het de Balkan beheerst In de laatste twee jaren van de 1e Wereldoorlog hadden de Duitsers soms succes en soms ook niet. Wat hoort bij elkaar? Maart 1918 en: a)    de Russische Revolutie b)    de Verenigde Staten doen mee aan de 1e Wereldoorlog c)    de onbeperkte duikbotenoorlog wordt afgekondigd d)    de vrede van Brest-Litowsk Wat hoort bij elkaar? Begin 1917 en: a)    de Russische Revolutie b)    de onbeperkte duikbotenoorlog wordt afgekondigd c)    de vrede van Brest-Litowsk d)    de Verenigde Staten doen mee aan de 1e Wereldoorlog Wat hoort bij elkaar? Maart 1917 en: a) de Russische Revolutie b)    de onbeperkte duikbotenoorlog wordt afgekondigd c)    de vrede van Brest-Litowsk d)    de Verenigde Staten doen mee aan de 1e Wereldoorlog Wat hoort bij elkaar? Februari 1917 en: a) de vrede van Brest-Litowsk b)    de onbeperkte duikbotenoorlog wordt afgekondigd c)    de Russische Revolutie d)    de Verenigde Staten doen mee aan de 1e Wereldoorlog Wat hoort bij elkaar? November 1918 a)    de Duitse overgave b)    de onbeperkte duikbotenoorlog wordt afgekondigd c)    de vrede van Brest-Litowsk d)    de Verenigde Staten doen mee aan de 1e Wereldoorlog De Duitse legerleiding ging over tot de onbeperkte duikbotenoorlog. De Duitsers gingen ook Amerikaanse schepen torpederen. De tweede zin is van de eerste zin een: a)    directe oorzaak b)    indirecte oorzaak c)    direct gevolg d)    indirect gevolg Hoe veranderden Engeland en Frankrijk na de 1e Wereldoorlog hun oorlogsstrategie? a)    een beroepsleger kwam in de plaats van een dienstplichtig leger b)    Engeland en Frankrijk steunden de pogingen om oorlog voor eens en voor altijd uit te bannen c)    De nadruk lag bij beide landen voortaan op de aanval in plaats van op de verdediging d)    De nadruk lag bij beide landen voortaan op de verdediging in plaats van op de aanval Nederland vocht tijdens de 1e Wereldoorlog: a)    aan de kant van de Geallieerden b)    aan de kant van de Centralen c)    niet mee d)    alleen in het allereerste begin mee Aan het westelijk front sneuvelden er tijdens de 1e Wereldoorlog meer soldaten dan tijdens de 2e Wereldoorlog omdat: a)    de 2e Wereldoorlog korter duurde dan de 1e Wereldoorlog b)    de 1e Wereldoorlog een stellingenoorlog was en de 2e Wereldoorlog een bewegingsoorlog c)    er tijdens de 2e Wereldoorlog meer burgerslachtoffers vielen dan in de 1e Wereldoorlog d)    de legers tijdens de 1e wereldoorlog groter waren dan tijdens de 2e Wereldoorlog

Terug